thumb|Chassternbergia ofwel Edmontonia rugosidens Chassternbergia is de geslachtsnaam die nominaal in 1988 door de Amerikaanse paleontoloog Robert Thomas Bakker gegeven werd aan de soort Palaeoscincus rugosidens Gilmore 1930, een plantenetende ornithischische dinosauriër uit de Ankylosauria die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De typesoort van het geslacht is dus Palaeoscincus rugosidens en de combinatio nova Chassternbergia rugosidens. Het taxon wordt echter meestal als de tweede geldige soort van het geslacht Edmontonia beschouwd: Edmontonia rugosidens.

Vondst en naamgeving In juni 1928 vond George Fryer Sternberg bij de Milk River in Glacier County, Montana het skelet van een ankylosauriër. In 1930 werd het door Charles Whitney Gilmore benoemd als een soort van Palaeoscincus: Palaeoscincus rugosidens. De soortaanduiding is afgeleid van het Latijn rugosus, "ruw" en dens, "tand". In 1940 hernoemde Lori Shano Russell het als een soort van Edmontonia: Edmontonia rugosidens. In 1988 benoemde "Bob" Bakker er een apart ondergeslacht Edmontonia (Chassternbergia) voor. De typesoort van Edmontonia, Edmontonia longiceps, kreeg tegelijkertijd het ondergeslacht Edmontonia (Edmontonia). De naam Chassternbergia eerde de broer van G.F. Sternberg, Charles Mortram Sternberg. In 1991 gebruikte George Olshevsky voor het eerst in een publicatie de volle geslachtsnaam Chassternbergia. Bakker is echter volgens de regels nominaal de naamgever van het geslacht. Hoewel er een sterke trend bestaat in het onderzoek naar dinosauriërs om iedere soort een eigen geslacht te geven, is de naam Chassternbergia nooit populair geworden. Dat komt voornamelijk doordat veel van het Edmontonia-materiaal niet goed bij de verschillende voorgestelde soorten in te delen valt en het moeilijk is hun verwantschappen te bepalen. Daarom wordt het voorzichtigheidshalve allemaal maar bij één geslacht ondergebracht. left|thumb|Specimen AMNH 5381 Het holotype, USNM 11868, is gevonden in een laag van de Two Medicine Formation die dateert uit het onderste late Campanien. Het bestaat uit een schedel, de rechteronderkaak, vijf halswervels, tien ruggenwervels, een synsacrum bestaande uit vier lendenwervels, drie sacrale wervels en twee caudosacrale wervels, elf staartwervels, zeventien ribben, een stuk van het rechterdarmbeen, beide zitbeenderen, het rechterschaambeen, en vijftig pantserplaten.

Naast het holotype is veel materiaal uit het middelste Campanien aan de soort toegewezen; het materiaal uit de grens tussen het Campanien en het Maastrichtien wijst men typisch aan Edmontonia longiceps toe. Sommige afwijkende specimina worden wel als een Edmontonia sp. geclassificeerd. thumb|Specimen AMNH 5665 De allereerste grote vondst in dit verband werd al in 1915 gedaan door Barnum Brown die bij Quarry 45 in Alberta, Canada, specimen AMNH 5381 vond, bestaande uit de grotendeels in verband liggende schedel, onderkaken, zes ruggenwervels, voorste staartwervel, achterste staartwervel, ribben, linkervoorpoot, voorste bekken, scheenbeen, kuitbeen en vijfentwintig pantserplaten van een volwassen individu. Het uniek gave exemplaar werd hetzelfde jaar nog verworven door het American Museum of Natural History en 1922 door William Diller Matthew toegewezen aan Palaeoscincus in een populair-wetenschappelijk artikel. Hij liet het in het midden over welke soort het dan precies ging; uit archiefmateriaal is bekend dat hij samen met Brown een wetenschappelijk artikel voorbereidde waarin hij een nieuwe soort van Palaeoscincus wilde benoemen maar als bij zoveel projecten van Brown is het nooit tot een publicatie gekomen. Russell verwees het exemplaar in 1940 naar E. rugosidens. In 1917 groef Levi Sternberg in Quarry 76 specimen AMNH 5665 op omvattende de schedel, de rechteronderkaak, zeven halswervels, vijf voorste ruggenwervels, de rechterschoudergordel, vier ribben, de rechtervoorpoot en het voorste pantser. Ook dit werd eerst door Matthew bij Palaeoscincus ondergebracht. Illustraties van Edmontonia zijn typisch op deze twee exemplaren gebaseerd, niet op de typesoort van dat geslacht, Edmontonia longiceps.

Na 1928 werden er een tijd lang weinig fossielen van de soort gevonden, voornamelijk omdat er ook weinig onderzoek verricht werd. Een uitzondering was de vondst in Alberta van de bovenkant van een schedel door Harold D'acre Robinson Lowe in 1937; dit specimen CMN 8879 zou pas in 1971 door Walter Preston Coombs beschreven worden. In 1986 vond Jack Horner nabij de vindplaats van het holotype, maar in de Judith River Formation, specimen ROM 433, een gevorkte stekel als deel van een groot aantal botten die gedeeltelijk van een ankylosauride waren die in 2013 benoemd werd als Oohkotokia. In 1990 meldde Kenneth Carpenter uit Canada specimen ROM 5340, de gepaarde middelste segmenten van een halsberg.

In de jaren negentig van de twintigste eeuw begon een veel intensiever onderzoek van de vindplaatsen wat een groot aantal fossielen opleverde. Deze zijn nog lang niet allemaal beschreven of zelfs maar gemeld. In 2005 meldde Philip John Currie uit het Dinosaur Provincial Park, te Newell County, Alberta, de specimina ROM 1215: een skelet met schedel; RTMP 91.36.507: een schedel; RTMP 98.74.1: een schedel die echter wellicht aan Panoplosaurus behoort; en RTMP 98.71.1: een skelet met schedel. In 2006 beschreef Matthew Vickaryous de schedel in meer detail aan de hand van twee nieuwe specimina, alle uit Newell County: RTMP 98.98.01: een schedel met een rechteronderkaak; en RTMP 2001.12.158: een schedel. Van AMNH 5381 werden door hem door middel van een CAT-scan de schedel met onderkaken, ceratobranchialia en beenplaatjes van de hals nader onderzocht. Al deze exemplaren komen uit de Dinosaur Park Formation daterend uit het Campanien.

De gevonden skeletten zijn tussen de 76,5 en 75,9 miljoen jaar oud. Uit de bovenste Dinosaur Park Formation zijn geen Chassternbergia-fossielen bekend. Dat schept een hiaat met de Edmontonia longiceps-vondsten van ongeveer vierenhalf miljoen jaar.

Beschrijving Grootte. algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|upright=1.7|AMNH 5665 in een recente opstelling Chassternbergia/E. rugosidens verschilt niet duidelijk van Edmontonia longiceps in grootte: beide soorten werden in 2010 door Gregory S. Paul geschat op zes meter in lengte en drie ton zwaar. De precieze lengte is lastig vaststelbaar daar niet de volledige staart bekend is.

Chassternbergia heeft een brede, afgeplatte romp. De poten zijn weliswaar voor een nodosauride nog tamelijk lang maar door die afplatting bleef de hoogte beperkt tot een kleine anderhalve meter. Illustraties die een hoge bolle romp tonen van wel twee meter hoog, zijn incorrect en weerspiegelen foute reconstructies van het ankylosaurische skelet uit het begin van de twintigste eeuw. De voorpoten zijn erg krachtig en de romp moet wat opgelopen hebben naar de voorkant. Op schouder staan daar zeer grote en lange driehoekige stekels. De krachtige borstpartij wordt voortgezet in een stevige nek, ook van een paar stekels voorzien, die weer uitloopt in een vrij langwerpige kop van beperkte omvang. De staart is zwak ontwikkeld. De staartpunt is onbekend maar er zijn, zoals bij geen enkele nodosauride, geen aanwijzingen voor een staartknots.

In 1990 stelde Carpenter enkele kenmerken vast waarin E. rugosidens zich van Edmontonia longiceps onderscheidt. De schedel steekt duidelijk overdwars uit achter de oogkassen. Het verhemelte is breder. De tandrijen lopen sterker uiteen. Het synsacrum, de vergroeide wervels van de achterste rug en het heiligbeen, is minder zwaargebouwd. De stekels aan de zijkant van de romp zijn aanzienlijk langer.

Skelet Schedel en onderkaken De schedel is langer dan breed maar achter de ogen vrij sterk puntig uitstekend. De breedte is het grootst bij die van AMNH 5665 welke ongeveer negenenveertig bij drieënveertig centimeter meet. De kop toont een lichte kromming naar beneden toe. De snuitpunt is in bovenaanzicht recht afgesneden; de neusgaten zijn zijwaarts gericht. In de vestibule van het neusgat liggen twee openingen, gescheiden door een horizontaal schot: een bovenste, in de vorm van een liggende ovaal die naar de eigenlijke neusholte voert en een ronde, meer naar voren gelegen, onderste "paranasale" die naar een naast en schuin onder de neusholte gelegen kleinere kamer leidt. Vickaryous toonde dit in 2006 met zijn CAT-scan aan, nadat Coombs in 1971 nog gesteld had dat nodosauriden zulke extra kanalen niet bezaten. Ook deze kamer was wellicht, apart, met de interne neusgaten verbonden; een eerste onderzoek van Vickaryous leek nog op het tegendeel te duiden. De neusholte is in twee kamers gescheiden door een overlangs tussenschot. Verdere onderverdelingen, beenstijlen of verbeende boekrolvormige turbinalen ontbreken.

In de licht afhangende bovensnavel bevinden zich geen tanden. De snavel bedekt de hele rand van de praemaxillae en loopt naar achteren over in de tandrijen, zodanig dat de snijrand van de snavel de onderkant van de praemaxilla van het buiten de tandrij gelegen gedeelte van de onderkant van de bovenkaaksbeenderen scheidt. De tandrijen bevatten kleine tandjes met een duidelijke verdikte basis of cingulum, een verticale hoofdrichel en een negental vertandingen. De verschillende exemplaren verschillen in het aantal tanden per rij dat tussen de veertien en zeventien ligt. De caputegulae, kopplaten, zijn glad en grotendeels met elkaar versmolten. Voor op de snuit bevindt zich een grote centrale plaat met daarachter de bovenste matig brede "flappen" van de platen van de bovenkaaksbeenderen. Op het achterste schedeldak ligt een grote centrale plaat. Op de achterhoeken van het schedeldak liggen lage knobbels op de squamosa. Het schedeldak steekt niet ver naar achteren uit en de processus paroccipitales van het achterhoofd zijn in bovenaanzicht waarneembaar. De achterhoofdknobbel is rond. Het quadratum is smal en in zijaanzicht gebogen.

Er is een benig secundair verhemelte, net als bij Panoplosaurus. Die toestand komt overeen met die bij de Ankylosaurinae maar dat lijkt een geval van parallelle evolutie want basale ankylosauriërs hebben dit kenmerk niet. Bij Chassternbergia/E. rugosidens is het duidelijk breder dan bij Edmontonia longiceps. Het ploegschaarbeen heeft onderop een kiel met een wigvormige dwarsdoorsnede en vormt een verlenging naar onderen van het tussenschot van de neusholte zodat de hele snuit in tweeën gedeeld is. De kiel heeft onderaan een rond aanhangsel zodat het geheel in zijaanzicht op een pendule lijkt. Het ectopterygoïde vormt de achterrand van de interne neusgaten.

De onderkaken zijn lang en laag, met achteraan een lage processus coronoides. Hun achterkanten zijn bedekt met ruwe naar beneden uitstekende pantserplaten. Het onderste gewrichtsvlak van het articulare wordt door een richel overdwars in tweeën gedeeld. Het angulare wikkelt zich om de onderrand van de onderkaak en raakt het praearticulare. Het centrale predentarium vooraan vormt een licht omhoogkrommend ondersnaveltje. Er achter liggen per zijde in het dentarium achttien tot eenentwintig tanden voor een maximaal totaal van zesenzeventig. Een langwerpige wangplaat lijkt niet met de onderkaak vergroeid te zijn maar los in het wangweefsel "gezweefd" te hebben. Een dergelijke plaat is van Edmontonia longiceps onbekend.

In 2015 werd gemeld dat bij AMNH 5382 niet alleen langwerpige tongbeenderen aanwezig waren, gezien als overeenkomend met de tweede ceratobranchialia, maar daartussen ook een driehoekige plaat die de vergroeide paraglossalia zou kunnen vertegenwoordigen. Een gelijksoortige structuur was aangetroffen bij Pinacosaurus.

Postcrania thumb|upright=1.7|De linkerzijde van AMNH 5665