thumb| Dit artikel behandelt monarchieën in Europa. De monarchie was in de geschiedenis van Europa de dominante regeringsvorm tot de 20e eeuw, waarin de republiek ging overheersen.

Geschiedenis Oorsprong thumb|Kaart van de Myceense beschaving. De notie van koningschap in Europa komt oorspronkelijk uit stamhoofdsystemen in de Europese prehistorie. De Minoïsche beschaving (ca. 3200–1400 v.Chr.) en Myceense beschaving (ca. 1600–1100 v.Chr.) geven de vroegste voorbeelden van monarchieën in het protohistorische Griekenland. Dankzij de ontcijfering van het Lineair B-schrift in 1952 is er vooral veel kennis over de maatschappij van de verschillende Myceense vorstendommen, waarin de koningen leiders waren van paleiseconomieën.De Blois & Van der Spek (2004), p. 71–72. De rol van koningen in de daaropvolgende duistere eeuwen (ca. 1200–800 v.Chr.) veranderde naar een grote herenboer met militaire macht.

Archaïsche en klassieke oudheid links|thumb|De Pnyx, als vergaderplek het hart van de Atheense democratie. Sinds het begin van de oudheid stond de monarchie tegenover verscheidene republikeinse staatsvormen, waarbij de uitvoerende macht in handen was een aantal verschillende mensen, die op een bepaalde manier leiders kozen in plaats van door erfopvolging aanwezen. Tijdens de archaïsche periode (ca. 800–500 v.Chr.) verdween het koningschap in vrijwel alle Griekse poleisDe Blois & Van der Spek (2004), p. 74. en ook in (het toen nog onbeduidende) Rome. De Griekse stadstaten werden na het verval van het koningschap aanvankelijk meestal geleid door adellijke groepen (aristocratie), waarna hun economische en militaire machtsbasis verviel en in bijna alle poleis twee generaties lang alleenheersers de macht wisten te grijpen (tirannie, 7e en vooral 6e eeuw v.Chr.), waarna er geleidelijk regeringsvormen onder leiding van welgestelden (oligarchie) ofwel van vergaderingen van vrije (mannelijke) burgers (democratie) tot stand kwamen in de Klassieke periode (vooral na 500 v.Chr.).De Blois & Van der Spek (2004), p. 86–87. De Atheense democratie (6e eeuw–322 v.Chr.) geldt als het bekendste voorbeeld van de laatste vorm; het klassieke Sparta (ca. 550–371 v.Chr.) was een militaristische polis met een merkwaardige mengvorm tussen monarchie (dubbelkoningschap), aristocratie (gerousia) en democratie (apella);Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "geronten". de Romeinse Republiek (509–27 v.Chr.) had een gemengde constitutie van oligarchie, democratie en vooral aristocratie.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Romeinse Rijk. §2. Staatsinstellingen".

thumb|Macedonisch koning Philippus II verenigde alle Griekse poleis onder zijn kroon in 338 v.Chr. De dominante poleis Athene en Sparta raakten verzwakt door onderlinge oorlogen, vooral de Peloponnesische Oorlog (431–404 v.Chr.) die Sparta won, werden verslagen en een tijd overheerst door Thebe (371–360 v.Chr.), waarna Sparta's rol was uitgespeeld. Ten slotte werd geheel Griekenland onderworpen door de Macedonische monarchie in 338 v.Chr., die een einde maakte aan de periode van vrije autonome stadstaten en in 322 v.Chr. ook aan de Atheense democratie.De Blois & Van der Spek (2004), p. 103–106. In de daaropvolgende hellenistische periode (334–30 v.Chr.)Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "hellenisme". streden eerst allerlei diadochen (opvolgers van Alexander de Grote) om het Macedonische koningschap, in 277 v.Chr. definitief verworven door de Antigoniden.De Blois & Van der Spek (2004), p. 127. Ondertussen vestigde de Fenicische stadstaat Carthago, gelegen in het huidige Tunesië, behalve op de Noord-Afrikaanse kust vanaf de 6e eeuw ook verschillende koloniën op Sicilië, Sardinië, Corsica, de Balearen en in Zuid-Spanje.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Carthago. §1. Geschiedenis". Het Carthaagse rijk begon (volgens de overlevering in 814 v.Chr.) als een monarchie, maar rond 480 v.Chr. werd het een republiek waarin suffeten ("rechters") de dienst uitmaakten. Ten slotte veroverde Rome geleidelijk (vooral na 350 v.Chr.) Italië en versloeg Carthago in de Punische oorlogen (264–146 v.Chr.). Macedonië werd in 168 veroverd door de Romeinen, die het verdeelden in vier republieken. Deze werden in 148 geannexeerd als Romeinse provincie, Griekenland in 146 ook, waarmee Rome heel geletterd Europa omvatte. De rest van Iberië, de Illyrische kust en uiteindelijk Gallië door generaal Julius Caesar werden toegevoegd aan de Romeinse Republiek, die echter institutioneel sterk in verval was. Caesar werd benoemd tot dictator en slaagde er bijna in een dynastie te vestigen, maar werd in 44 v.Chr. door een republikeinse samenzwering onder leiding van Marcus Junius Brutus vermoord.

Romeinse Keizerrijk en nalatenschap thumb|De eerste Romeinse keizer, Augustus (r. 27 v.Chr.–14 n.Chr.). Caesars adoptiefzoon Octavianus won de daaropvolgende burgeroorlog en doopte de Romeinse Republiek om tot het Romeinse Keizerrijk in 27 v.Chr. Daarbij nam hij de naam Imperator Caesar Augustus aan met de bescheiden titel princeps ("eerste"), als ware hij primus inter pares ("eerste onder zijns gelijken"), hoewel hij in feite een monarchie had gesticht. Dit beperkte keizerschap (Principaat) werd in 284 versterkt door Diocletianus tot absolute heerschappij (Dominaat).Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Diocletianus, Gaius Aurelius Valerius." Het Rijk erkende verschillende vazalkoninkrijken onder keizerlijke soevereiniteit; de meesten hiervan lagen in Azië, maar enkele vazalstamhoofden werden ook erkend door de Romeinse autoriteiten in Britannia. Vanaf de invoering van het christendom in de 4e eeuw gingen de Romeinse keizers zich beroepen op de gratie Gods, dat wil zeggen, men heeft het eigenlijk niet verdiend om te heersen, maar God heeft besloten deze heerschappij te schenken.

De meeste Germaanse koninkrijken die in de 5e eeuw werden gesticht (waaronder die van de Sueven, Bourgondiërs, Vandalen, Franken, Visigoten en Ostrogoten) erkenden de Romeinse keizer ten minste nominaal en zouden nog steeds munten slaan met het portret van de keizer tot ver in de 6e eeuw.Henri Pirenne, Mohammed en Karel de Grote (1937), 46-48. Deze ontlening van koninklijk gezag aan het christelijke Romeinse Rijk zou de kern vormen van het middeleeuws Europese koningschap en ook de positie van de paus in de Latijnse christenheid. In West-Europa beriepen vorsten zich op de Romeinse traditie en/of de gratie Gods, soms ontvangen via pauselijke kroning (zoals Karel de Grote deed in 800 en van de 10e eeuw gebruikelijk werd in het Heilige Roomse Rijk), soms rechtstreeks van God (zoals gebruikelijk werd in Frankrijk).

Middeleeuwen Het Frankische bestuursstelsel bestond uit gouwen, waarover de keizer persoonlijk een gouwgraaf aanstelde en ook weer kon ontslaan of zelf een opvolger kiezen als deze overleed.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "gouwgraaf". Nadat het Frankische Rijk door troonstrijd uiteenviel in de late 9e eeuw en centrale controle verloren ging, werd het graafschap echter erfelijk en daardoor een soort monarchie in het klein.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "graaf [titulatuur]". Het Germaanse militaire ambt van hertog werd in plaats van tijdelijk ook erfelijk vanaf de 9e eeuw en de 'stamhertogdommen' vormden als een soort deelmonarchieën de basis van het Oost-Frankische Rijk, later het Heilige Roomse Rijk.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "hertog". In Britannia trokken de Romeinen zich terug rond 410, terwijl Angelen, Saksen, Juten en andere Germanen zich vestigden in Engeland en, naast kleinere rijkjes, zeven koninkrijken dominant werden: de zogenaamde Heptarchie (ca. 500 tot 850).Bejczý (2004), p. 16, 25–26.

Onder Germaanse edelen waren afstamming en Königsnähe (in koninklijke gunst zijn) van belang voor hun positie.Bejczý (2004), p. 31. Terwijl de Romeinse adel vooral in steden resideerde en bestuurstaken uitvoerde, woonde de vroegmiddeleeuwse adel eerder op het platteland en had primair een militaire functie. Graven en bisschoppen moesten troepen leveren aan de koning, die zij vaak zelf aanvoerden. Eeuwenlang werden Europese monarchieën gekenmerkt door troonstrijden binnen families, soms uitmondend in grote burgeroorlogen, tot geleidelijk overal het eerstgeboorterecht werd ingevoerd, dat bepaalde dat de oudste zoon het gehele bezit van zijn vader erfde.Moore (2000), p. 66. Dit begon in de 9e eeuw, werd overgenomen door de Capetingen ten tijde van Hugo de Grote midden 10e eeuw, werd kwam in de 12e eeuw in een stroomversnelling en werd voltooid in de 13e eeuw.Moore (2000), p. 69–70. Historicus Georges Duby toonde in zijn doctoraalthesis La société aux XIe et XIIe siècles dans la région mâconnaise (1952) aan –hetgeen later elders door andere historici werd bevestigd– dat de Frankische adel die ontstond in de vroege middeleeuwen vrijwel onveranderd aan de macht geweest in dezelfde gebieden in West-Europa tot aan de Franse Revolutie. Verhuizing en verheffing in de adelstand kwamen zelden voor. Bijna alle adellijke stambomen die zijn opgesteld in de 12e eeuw traceren hun oorsprong weliswaar naar de 10e eeuw, waarin burggraven erin slaagden territoriale dynastieën te stichten rondom de kastelen die zij namens de koning beheerden. Maar onderzoek heeft uitgewezen dat deze families al minstens vanaf de 8e eeuw behoorden tot de Karolingische elite. De politiek werd gekenmerkt door oorlogen, verdragen, huwelijken en gebiedshandel tussen tal van vorstelijke en adellijke huizen die ernaar streefden hun huismacht territoriaal steeds te vergroten, hun hiërarchische status (titulatuur) te verhogen en vazallen aan zich te binden of onderwerpen. Dynastieën zoals Habsburg gingen hierdoor overheersen.

links|thumb|Keizer Karel V, mogelijk de machtigste Europese monarch ooit. Effectieve belastingsstelsels ontbraken in de vroege en hoge middeleeuwen, in het begin mede door het ontbreken van een monetair stelsel dat was ingestort na het verdwijnen van het Romeinse Rijk; in plaats daarvan werd grondbezit het belangrijkste betaalmiddel. Hierdoor konden met name de vroegmiddeleeuwse Franse koningen hun vazallen niet belonen voor hun diensten omdat er geen veroveringen werden gedaan, waarna deze graven en hertogen autonoom begonnen op te treden. De Duitse rooms-koningen en keizers breidden nog eeuwenlang hun territorium uit in verschillende richtingen, hadden veel land te vergeven en daarom trouw volgende vazallen tot ongeveer 1200.

Vanaf de 14e eeuw slaagden koningen erin juristen en notarissen in dienst te nemen die wisten hoe een belastingstelsel theoretisch gerechtvaardigd en praktisch geregeld moest worden (dit werd mogelijk dankzij de oprichting van universiteiten). Een andere manier om als vorst te zorgen voor effectieve inkomsten, waarmee huurlingen konden worden betaald voor oorlog en geleerden in dienst genomen worden voor het bestuur, was het verlenen van stadsrechten aan de rijkste steden in ruil voor belastinggeld.

In de middeleeuwen werd de monarchie slechts uitgedaagd door stedelijke communes die konden uitgroeien tot stadsrepublieken. De Italiaanse maritieme republieken zoals de republiek Venetië (726–1797), de republiek Genua (1005–1797), de Florentijnse Republiek (1115–1531) en de republiek Siena (1125–1555); de republiek Novgorod (1136–1476); het Oude Zwitserse Eedgenootschap (1291–1798); de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588–1795) en het Engelse Gemenebest (1649–1660).

Vroegmoderne tijd thumb|Habsburgse bezittingen in Europa. In de 16e eeuw streefden monarchen, vooral die van het Spaanse Rijk zoals Keizer Karel V, ernaar hun feodale bestuur meer te centraliseren en versterken door de gewestelijke en stedelijke autonomie op te heffen en de adellijke privileges te beperken. De Reformatie werd door vooral veel Duitse vorsten aangegrepen om zich af te zetten tegen de paus en de keizer, omdat het lutheranisme een grotere rol toedichtte aan de koning.