De Herbenusstraat is een straat aan de rand van het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. De straat heeft een gevarieerde bebouwing met onder andere herenhuizen, arbeiderswoningen, een school en een voormalig oudemannenhuis. Daaronder bevinden zich vier rijksmonumenten en 71 gemeentelijke monumenten.

Naamgeving, ligging en verkeer De straatnaam Herbenusstraat werd in 1903 door de Maastrichtse gemeenteraad vastgesteld. De straat is vernoemd naar de Maastrichtse geestelijke en humanist Matthaeus Herbenus (1451-1538), die tevens pedagoog, musicus, musicoloog en geschiedschrijver was. Herbenus schreef onder andere de oudst bekende historische beschrijving van de stad Maastricht.

thumb|left|170px|Omgeving Herbenusstraat (tussen de rode pijlen) op een topografische kaart De Herbenusstraat ligt in het westelijk deel van het Maastrichtse stadscentrum, in de buurt Statenkwartier.Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 48. De straat is aangelegd op een helling, wat in het straatbeeld onder andere zichtbaar is door de trapsgewijs oplopende gevels. Het hoogteverschil bedraagt 17 meter: van 53 m NAP in het noordoosten tot 70 m NAP in het zuidwesten.Hoogtekaart Maastricht op nl-be.topographic-map.com. Gearchiveerd op 16 januari 2022. De straat loopt min of meer in een rechte lijn van noordoost naar zuidwest tussen de Capucijnenstraat en de Brusselsestraat. Het laatste stukje, tussen de Zakstraat en de Brusselsestraat, maakt een flauwe bocht naar het zuiden. Hierna zet de straat zich in feite voort als Sint Nicolaasstraat. Hetzelfde gebeurt aan de kant van de Capucijnenstraat, waar de straat zich na een lichte knik voortzet als Lindenkruis. Aan beide zijden liggen drie zijstraten, Capucijnenstraat en Brusselsestraat niet meegerekend. Aan de kant van de even huisnummers, de rechterkant als men van noordoost naar zuidwest gaat, zijn dat: Laagfrankrijk, Kazemattenstraat en Zakstraat. Aan de oneven kant liggen: Charles Voscour, Hoogfrankrijk en Zakstraat. Een onofficiële voetgangersverbinding met de Brusselsestraat wordt gevormd door het Cellebroedersstraatje, dat vanaf de Herbenusstraat via het Kumulusterrein bereikbaar is, maar 's avonds wordt afgesloten. Charles Voscour is eveneens alleen voor voetgangers opengesteld (bereikbaar via een poortdoorgang op nr. 39), maar is wel een officiële straat, genoemd naar de Maastrichtse beeldhouwer Charles Vos (1888-1954). De andere straatnamen verwijzen naar benamingen uit de Maastrichtse vestingbouw (kat Hoog Frankrijk, hoornwerk Laag Frankrijk, kazematten) of, in het geval van de Zakstraat, naar een oorspronkelijk doodlopende weg (Frans: cul-de-sac).Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), pp. 50-53: 'Charles Vos-cour', 'Hoogfrankrijk', 'Kazemattenstraat', 'Laagfrankrijk', 'Zakstraat'.

Hoewel de Herbenusstraat oorspronkelijk werd aangelegd als onderdeel van een 'binnensingelring', is deze ringweg maar zeer ten dele aangelegd, waardoor de verkeersfunctie van de Herbenusstraat beperkt bleef tot het lokale verkeer. De weg heeft over de hele lengte een ongedeelde rijbaan met aan beide zijden parkeerstroken en trottoirs. Het wegdek bestaat uit asfalt, op enkele plaatsen onderbroken door verkeersdrempels van betonklinkers. De parkeerstroken zijn deels geplaveid met betonklinkers (tussen Capucijnenstraat en Kazemattenstraat); elders in de straat zijn ze door wegmarkeringen op het asfalt aangegeven. De trottoirs zijn geplaveid met standaard stoeptegels. Aan de even kant (met de meeste zon) zijn ze aanzienlijk breder. Hier staan bomen, soms met door bewoners beplante boomspiegels, en bevinden zich ook de meeste geveltuintjes.

Geschiedenis De geschiedenis van het gebied rond de Herbenusstraat loopt tot 1867 parallel met die van de vesting Maastricht. Na de sloop van de vestingwerken werd de straat in 1877 of kort daarna aangelegd, aanvankelijk als onderdeel van een binnensingelweg, die echter nooit werd voltooid. Pas na 1900 kwam de woningbouw goed op gang.

Stadsmuur (tot 1867)

Eind dertiende eeuw bleek de eerste middeleeuwse stadsmuur te krap. Door de bouw van een tweede stadsmuur werd de bebouwing, die langs de uitvalswegen was ontstaan, binnen de ommuurde stad gebracht. De nieuwe muur met vijf nieuwe stadspoorten werd in 1380 in gebruik genomen, maar zou pas omstreeks 1500 worden voltooid. De muur had op de linker Maasoever een hoogte variërend van 6 tot 9 m en een lengte van 4,4 km (inclusief ca. 850 m bestaande muur, voornamelijk langs de Maasoever).Ubachs/Evers (2005), pp. 552-553: 'vesting'. In het noordwestelijk gedeelte lagen twee stadspoorten: de Brusselsepoort en de Lindenkruispoort. Daartussen bevond zich het deel van de stadsmuur dat ongeveer het tracé van de Herbenusstraat volgde. De aarden wal aan de stadszijde reikte tot aan de oneven nummers.Zie interactieve kaart Maastricht op hisgis.nl. Selecteer bij kaartlagen: 'Kadaster 1842 percelen (rood, open)', 'Kadaster 1842 gebouwen (naar soort)' en 'Luchtfoto'. In dit muurdeel bevonden zich zes waltorens. De namen van enkele torens zijn overgeleverd: de Kackenberch, de Crotentoren, de Boenentoren, de toren "der Hont", de "toren achter de Cellebroeders" en de Sint-Joristoren. Alleen de locatie van die laatste staat vast: het was de tweede toren vanaf de Lindenkruispoort, ongeveer ter plekke van de achtertuinen van Herbenusstraat 48-50. De benaming Sint-Joristoren houdt mogelijk verband met het feit dat kerspels en kloosters een taak hadden bij het onderhoud (en verdediging) van een deel van de hoofdwal, ook het Sint-Joriskerspel.Morreau (1979), pp. 96-97. Aan de veldzijde van de muur lag een (droge) gracht, die min of meer op de plek van de tuinen tussen de Herbenusstraat en de Statensingel lag. Onder de gracht liep later het ondergrondse Jekerkanaal, dat nog grotendeels intact is, maar niet toegankelijk.

Tussen 1540 en 1550 werden de meeste muurtorens omgebouwd tot rondelen door de torenspitsen te verwijderen, de torens te verlagen en deze vol te storten met aarde, zodat er zwaar geschut kon worden opgesteld.Morreau (1979), pp. 51-53. Op het Cellebroedersrondeel stond een bekend kanon, de "Kwade Griet" ("'t geschut dye Quoede Gryt genant"). De stadsmuur werd aan de binnenzijde versterkt met een aarden wal, zodat deze beter bestand was tegen de sterk toegenomen vuurkracht van het geschut. Vermoedelijk in de zeventiende eeuw werden op twee plaatsen katten of caveliers opgeworpen, verhogingen van aarde, die boven de walmuur uitreikten en waarop batterijen voor het geschut waren geplaatst. De kat Hoog Frankrijk lag bij de Sint-Joristoren; de kat Nassau bij de tweede toren vanaf de Brusselsepoort. In 1669 bleek de stadsmuur achter het Cellebroedersklooster in slechte staat en verordineerde de magistraat "dat den muyr bij de hoogh kat" gerepareerd moest worden.Morreau (1979), p. 68. De kat Nassau werd omstreeks 1692 voorzien van een ondergronds rechthoekig kruitmagazijn. Tien jaar later kreeg de kat een halfrond vooruitspringend deel, dat het vuren in meerdere richtingen vergemakkelijkte.

Bij een inspectie in 1728 kwam men erachter dat veel particulieren hun tuinen illegaal hadden vergroot door de aarden wal aan de binnenzijde van de stadsmuur gedeeltelijk af te graven. Dit was onder andere gebeurd in de tuin van mevrouw Célis bij de kat Nassau.Morreau (1979), pp. 76-78. Deze mededeling lijkt erop te wijzen dat er geen openbare weg langs de stadsmuur liep, die men dan als voorloper van de Herbenusstraat zou kunnen zien. Hoe het gebied aan de voet van de stadsmuur er dan wel uit zag, is niet bekend.

Omstreeks 1750 werd de sortie in de stadsmuur bij de kat Hoog Frankrijk aan weerszijden voorzien van vier kazematten, die elk 6 x 2 m maten. Een deel hiervan is ondergronds bewaard gebleven.Morreau (1979), pp. 94-95. In deze periode stond boven op de muur, aan de zuidzijde van de kat, een wachthuisje, de zogenoemde "Vloeienwacht". Aan de stadszijde van de kat Hoog Frankrijk, ongeveer ter plekke van het achterterrein van Herbenusstraat 49-53, bevond zich een kruithuis, herkenbaar zowel op de achttiende-eeuwse maquette van Maastricht, als op de negentiende-eeuwse kadasterkaart. Een nieuw en groter kruithuis werd omstreeks 1790 in het gebied tussen de twee katten gebouwd. Het was van hetzelfde model als het bewaard gebleven kruithuis van de Bleekhof bij de Tongersekat.Morreau (1979), p. 299, noot 11. Het nieuwe kruithuis lag ter plekke van het latere Momus' Oudemannenhuis, tegenwoordig Herbenusstraat 87. Naast het kruithuis verrees rond het midden van de negentiende eeuw een groot, L-vormig wapenmagazijn, dat pas in de jaren 1980 is gesloopt. Het gebouw is nog niet te zien op de kadasterkaart van 1842, maar is wel afgebeeld op een tekening van Jan Brabant, vermoedelijk daterend uit de jaren 1860. Ten zuiden van de Lindenkruispoort en de Brusselsepoort bevonden zich barakken (kazernes), net buiten het gebied van de Herbenusstraat.Ubachs/Evers (2005), p. 49: 'barak '.

Tekeningen van Jan Brabant (1806-1886) van de stadsmuur bij de Herbenusstraat, vóór en tijdens de sloop

Sloop stadsmuur, aanleg singelweg en eerste bebouwing (1867–1890)

Na de opheffing van de vestingstatus in 1867 werd de vesting Maastricht in opdracht van het Ministerie van Oorlog ontmanteld, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen voor verdere sloop en herbestemming. De stadspoorten vielen onder de zeggenschap van het gemeentebestuur.Evers (2004), 'Ontmanteling en slechting'. De Brusselsepoort, de Lindenkruispoort en het daartussen gelegen deel van de walmuur werden tussen 1868 en 1874 afgebroken. Met het puin werd de stadsgracht opgevuld. Voor het behoud van de kat Hoog Frankrijk zetten zich vanaf 1868 de redactie en enkele lezers van de krant Le Courrier de la Meuse in, echter zonder resultaat. Het voornaamste argument voor behoud was niet de historische waarde, maar het feit dat de verhoging zo'n aardig uitzicht bood over de stad en het omringende landschap.Zie o.a. 'Nous avons entendu exprimer...', bericht in: Le Courrier de la Meuse, 16 juli 1868, p. 1 (geraadpleegd op Delpher op 23 juli 2022). De kat werd waarschijnlijk in 1874 gesloopt.

In 1867, nog vóór de ontmanteling goed en wel begonnen was, kwam de ontmantelingscommissie met een eerste schets voor de toekomstige uitleg van de stad. De gemeente Maastricht kwam in hetzelfde jaar met een eigen "Project van percees en boulevards". Beide plannen gingen uit van een singel- of boulevardstructuur rondom de ontmantelde stad, zoals dat door de rijksingenieur F.W. van Gendt voor de meeste voormalige vestingsteden werd voorgesteld. Van Maastrichtse zijde waren achtereenvolgens de stadsarchitecten A. Cuypers, J.H. Nivel en vanaf 1873 W.J. Brender à Brandis verantwoordelijk voor de uitwerking van de plannen. Pas met laatstgenoemde kwam er schot in de uitvoering. Begonnen werd met het noordwestelijk deel, aangezien daar de belangrijkste industrieën gevestigd waren, die in die tijd in Maastricht het primaat hadden. Tussen 1874 en 1876 kwamen de huidige Statensingel, Frontensingel en Fransensingel tot stand. Van het zuidelijk deel van de singel werd aanvankelijk slechts een klein deel in het Villapark aangelegd; de aanleg van de Hertogsingel moest tot 1891-93 wachten en het westelijk deel van de Prins Bisschopsingel tot 1920.Martin (2000), pp. 201-209, 211-216.