De vestingwerken van Malta omvatten onder meer ommuurde steden, citadels, forten, torens, batteriien, redoutes, schansen en bunkers. De vestingwerken dateren van 1450 v.Chr. tot halverwege de 20e eeuw en zijn het resultaat van de strategische ligging en de ruime natuurlijke havens van de Maltese eilanden, waardoor de eilandengroep een grote aantrekkingskracht uitoefende op verschillende mogendheden.
De oudste vestingwerken in Malta waren verdedigingsmuren gebouwd rond nederzettingen uit de bronstijd. De Feniciërs, Romeinen en Byzantijnen die in loop der tijd op het eiland woonden, bouwden verdedigingsmuren rond belangrijke nederzettingen, maar daarvan is weinig overgebleven. Tegen het eind van de middeleeuwen waren de belangrijkste vestingwerken in Malta de toenmalige hoofdstad Mdina, de Cittadella op Gozo, het Castrum Maris en een paar wachttorens of uitkijkposten langs de kust.
De vestingwerken werden aanzienlijk uitgebreid tussen 1530 en 1798, toen de eilanden werden bestuurd door de Johannieterridders. De Johannieters bouwden nieuwe vestingwerken met bastions, zoals de vestingen van Birgu en Valletta, en verbeterden de middeleeuwse verdedigingswerken. Tegen het einde van de 18e eeuw had Malta een uitgebreid systeem van vestingwerken rond Grand Harbour en Marsamxett Harbour, evenals een kustverdedigingssysteem bestaande uit torens, batterijen, redoutes en schansen.
Na een kortstondige Franse bezetting (1798-1800), kwam Malta in 1800 onder Brits gezag (1800-1964). Tussen 1870 en 1900 bouwden de Britten een aantal veelhoekige forten en batterijen langs de kustlijn van Malta en langs de Victorialinie, een verdedigingslinie die het noordelijke deel van Malta scheidde van het dichtbevolkte zuiden. In de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw werden de laatste fortificaties in Malta gebouwd: Fort Campbell, een reeks bunkers en een aantal luchtafweerbatterijen.
Malta's vestingwerken worden beschouwd als een van 's werelds beste voorbeelden van militaire architectuur. Generaal-majoor Whitworth Porter van de Royal Engineers noemde Malta "het machtigste kunstmatige fort ter wereld" in zijn boek A History of the Fortress of Malta (1858). Maturin Murray Ballou schreef in zijn boek The Story of Malta (1893) dat "er in geen enkel deel van de wereld een completer systeem van vestingwerken bestaat dan het cordon verdedigingswerken op Malta." De Britse architect Quentin Hughes noemde de vestingwerken van Malta "ongeëvenaard wat betreft pure concentratie en majesteit", terwijl rechter en historicus Giovanni Bonello schreef dat "nergens ter wereld vestingwerken uitgebreider, indrukwekkender en opmerkelijker zijn dan in Malta."
Vestingwerken uit de oudheid en middeleeuwen (voor 1530) thumb|left|Verdedigingsmuur uit de bronstijd in Borġ in-Nadur De eerste vestingwerken in Malta werden gebouwd in de bronstijd. Ten minste zes locaties zijn geïdentificeerd als mogelijke versterkte nederzettingen uit die periode. De best bewaard gebleven restanten zijn te vinden in het dorp Borġ in-Nadur, in de buurt van de moderne stad Birżebbuġa. Rond 1450 v.Chr. bouwden de inwoners een 4,5 meter hoog D-vormig bastion om de toegang tot hun dorp te kunnen verdedigen. De muur was landinwaarts gebouwd, hetgeen erop wijst dat de bewoners het gevaar van aanvallen vanuit land groter achtten dan vanuit zee.
Rond 700 v.Chr. stichtten en versterkten de Feniciërs de stad Maleth op een van de hoogste punten van het eiland, ver van de kust. Uiteindelijk werd de stad overgenomen door de Romeinen en kreeg het de naam Melite. De stad werd later door de Arabieren omgedoopt tot Medina, wat leidde tot de huidige naam Mdina. De vestingwerken zijn in de loop der tijd een aantal keren aangepast, en hoewel de meeste tussen de 16e en 18e eeuw werden ontmanteld en herbouwd, kwamen tijdens opgravingen enkele fundamenten van oude Punisch-Romeinse wallen aan het licht, evenals verschillende middeleeuwse muurrestanten.
In Malta zijn de overblijfselen van verschillende ronde torens gevonden die vermoedelijk dateren uit de laat-Punische of Romeinse tijd. Het is mogelijk dat deze als wachttorens werden gebruikt, maar sommige historici betwisten dit omdat hun locaties in defensief opzicht niet logisch lijken.
In zijn 9e-eeuwse geografische boekwerk Kitab al-Rawd al-Mitar vermeldt Al-Himyarī dat bij de verovering van Malta in 870 n.Chr., de Arabieren een fort belegerden, innamen, plunderden en vervolgens ontmantelden. Daarmee kwam Malta onder het gezag van de Aghlabiden. De Arabische heerschappij over Malta zou tot 1090 duren. Over de bouw van fortificaties in deze periode is weinig informatie beschikbaar. Wel is bekend dat de Aghlabiden versterkingen bouwden in San Pawl Milqi. In Mdina en Rabat verkleinden ze de perimeter van de vestingen tot de huidige proporties, mogelijk om de steden makkelijker te kunnen verdedigen met een kleiner garnizoen.
thumb|De noordelijke muren van Cittadella werden in de 15e eeuw gebouwd. In 1241 was Cittadella, ook bekend als Gran Castello, van een nederzetting op een heuvel in de bronstijd uitgegroeid tot een vestingstad. De vestingwerken van Cittadella zijn in de loop der jaren verstevigd en de noordelijke stadsmuren, die er nog steeds staan, werden rond de 15e eeuw gebouwd door de Kroon van Aragón.
Het Castrum Maris (Latijn voor 'kasteel aan zee') was in de loop van de middeleeuwen gebouwd en bestond in ieder geval al in de 13e eeuw, toen het een rol speelde bij de Slag om Malta van 1283. Het in het huidige Birgu gelegen kasteel was tegen het eind van de 16e eeuw in bezit van de Nava-familie.
In 1417 beschikte de plaatselijke militie van de Maltezer eilanden over minstens 24 wachtposten, en langs de kust ging het in sommige gevallen mogelijk om versterkte wachttorens. Van een van deze torens is bekend dat de Aragonezen deze in 1488 bouwden op Saint Elmo Point, op het schiereiland Sciberras.
Vestingwerken van de Johannieterridders (1530–1798) Havengebied thumb|Zeewaarts georiënteerde vestingwerken van Senglea In 1530 schonk Keizer Karel V de Maltese eilanden, samen met de Noord-Afrikaanse havenstad Tripoli aan de Johannieterridders. De ridders vestigden zich in de stad Birgu en maakten er hun hoofdstad van. Kort na hun aankomst herbouwden de Johannieters het Castrum Maris en noemden het Fort Sint-Angelo. Later werd de gehele stad Birgu omringd door nieuwe vestingwerken, gebouwd in een stijl die vergelijkbaar is met de eerdere verdedigingswerken van de Johannieters in Rhodos. De landinwaarts georiënteerde fortificaties van Birgu werden in 1540 gebouwd. De Ottomaanse aanval op Gozo in 1551 vormde de aanzet voor een verdere uitbreiding van de verdedigingswerken. In 1552 werden twee forten gebouwd: Fort Sint-Elmo op het schiereiland Sciberras, op de plaats van een Aragonese uitkijktoren, en Fort Saint Michael in Senglea.
thumb|left|Saint Andrew's Bastion in Valletta In 1565 vielen de Ottomanen opnieuw aan en volgde het Beleg van Malta. Fort Sint-Elmo viel na hevige gevechten (waarbij de Ottomaanse admiraal Dragut Reis werd gedood), maar de ridders hielden stand in Birgu en Senglea tot er een ontzettingsmacht arriveerde. Aan het einde van het beleg waren de meeste vestingwerken door de artilleriebeschietingen zwaar beschadigd of verwoest en moesten herbouwd worden. Grootmeester Jean Parisot de La Valette besloot een nieuwe versterkte hoofdstad te bouwen op het schiereiland Sciberras. In 1566 begon de bouw van de stad die Valletta werd genoemd, naar de grootmeester die het liet bouwen. De stadsmuren, die grotendeels in de jaren 1560 en de jaren 1570 werden gebouwd, zijn vrijwel intact gebleven en omvatten bastions, schietkatten, contregardes en een walgracht. Het verwoeste Fort Sint-Elmo werd herbouwd en geïntegreerd in de stadsmuren. Het gebied rond Sint-Elmo werd later, in de 17e eeuw, een aantal malen versterkt, met name door de bouw van de Carafa-ringmuur in 1687.
thumb|De contregardes en het bastion van San Salvatore maken deel uit van de Florianalinie Met de ontwikkeling van nieuwe technologieën realiseerde men zich in de 17e eeuw dat de vestingwerken van Valletta weliswaar goed ontworpen waren, maar niet meer sterk genoeg zouden zijn om een zware aanval te weerstaan. Daarom werd tussen 1635 en 1640 de Florianalinie gebouwd, een extra verdedigingslinie aan Valletta's landzijde. In het gebied tussen de Florianalinie en de oude vestingmuren van Valetta ontwikkelde zich in de loop van de 18e eeuw een nieuwe nederzetting, Floriana genaamd.
In 1638 werd een begin gemaakt met de bouw van de Santa Margherita-linie, die de landzijde van Birgu en Senglea moest beschermen. De bouwwerkzaamheden werden in 1645 opgeschort wegens geldgebrek en de linie bleef jarenlang onvoltooid. Nadat de Ottomanen in 1669 Candia (op Kreta) hadden veroverd, besloten de Johannieters een tweede verdediginswal te bouwen, de Cottoneralinie, die zowel Birgu als Senglea beschermde, evenals de onvoltooide Santa Margherita-linie. De bouw begon in 1670, maar werd in 1680 opgeschort, wederom vanwege geldgebrek. Tegen die tijd was de gebastioneerde ringmuur wel voltooid, maar andere cruciale delen ontbraken. Uiteindelijk werden begin 18e eeuw de bouwwerkzaamheden hervat, zowel aan de Santa Margherita- als de Cottoneralinie, maar een deel van de geplande ravelijnen, cavaliers, grachten en andere fortificaties werden uiteindelijk geschrapt. Fort San Salvatore werd in 1724 gebouwd op een van de bastions van de Cottoneralinie.
Fort Ricasoli werd gebouwd tussen 1670 en 1698 en diende als commandocentrum voor de oostelijke arm van Grand Harbour. Het heeft een onregelmatig ontwerp dat de kustlijn volgt en beschikt over bastions, courtines en ravelijnen. Het fort werd later in de 18e eeuw verbeterd. Fort Saint Angelo werd in de jaren 1690 ook ingrijpend veranderd en opgewaardeerd met de bouw van verschillende batterijen en andere fortificaties.
thumb|left|Fort Manoel gezien vanuit de bastions van Valletta Om Valletta's westflank in Marsamxett Harbour te beschermen, bouwden de Johannieters Fort Manoel op Manoel-eiland. Het fort werd tussen 1723 en 1733 in barokstijl gebouwd en heeft een vierkante vorm met vier hoekbastions. Het was het laatste grote fort met bastions dat in Malta werd gebouwd. Het in 1795 voltooide Fort Tigné op Tigné Point was het laatste grote fort van de Johannieters in het havengebied. Het fort moest, samen met Fort Sint-Elmo, de ingang van Marsamxett beschermen. Het ontwerp verschilde duidelijk van dat van de vroegere forten van de Johannieters, en hoewel het naar 18e-eeuwse maatstaven erg klein was, wordt het beschreven als een vroeg voorbeeld van een veelhoekig fort en was daarmee een van de meest vernieuwende vestingwerken van Malta. Later, in de 19e eeuw, zouden de Britten nog een aantal veelhoekige forten bouwen.
Mdina en Cittadella thumb|Redin-bastion in Mdina
Hoewel Mdina niet langer de hoofdstad was, versterkten de Johannieters de verdedigingswerken van de stad en verbouwden de middeleeuwse stadsmuren tot een buskruitfort. In de jaren 1540, tijdens de magistratuur van Juan de Homedes y Coscón, werden twee bastions geplaatst op de hoeken van het landfront van de stad. Grootmeester Martin de Redin voltooide het naar hem vernoemde centrale 'Bastion de Redin' halverwege de 17e eeuw. Omdat de stad was beschadigd door de zware aardbeving van 1693 in Sicilië volgden in de loop van de 18e eeuw herstelwerkzaamheden. In 1724 volgde de vergroting van de stadspoort door architect Charles François de Mondion en ten slotte in 1746 de voltooiing van het Despuig-bastion. De overige plannen om Mdina te versterken vonden geen doorgang omdat de Johannieters besloten zich te concentreren op de vestingwerken in het havengebied van Valletta.