Adolf van Nassau (ca. 1255Cawley.Dek (1970).Van de Venne & Stols (1937). – (gesneuveld) Göllheim, 2 juli 1298Gauert (1953).), Duits: Adolf Graf von Nassau, was graaf van Nassau. Hij stamt uit de Walramse Linie van het Huis Nassau. Hij was een middelgrote man, behendig en aimabel, gewend om wapens te hanteren en moedig tot op het punt van onbezonnenheid, en uitzonderlijk opgeleid voor zijn stand. Hij sprak naast Duits, ook Frans en Latijn, wat toen nog zeldzaam was onder Duitse edelen. Hij was van 1292 tot 1298 koning van Duitsland (Rooms-koning) en van 1294 tot 1298 landgraaf van Thüringen. Hij was de eerste geestelijk en lichamelijk gezonde heerser van het Heilige Roomse Rijk die door de keurvorsten werd afgezet zonder eerst door de paus in de ban te zijn gedaan.

Afkomst, huwelijk en kinderen Adolf was de tweede zoon van graaf Walram II van Nassau en Adelheid van Katzenelnbogen,Vorsterman van Oyen (1882). de dochter van graaf Diether II van Katzenelnbogen en Hildegunde.

Voorouders Voorouders van Adolf van NassauBetovergrootoudersRupert II van Laurenburg ?(?–1158)⚭?(?–?)?(?–?)⚭?(?–?)Hendrik I van Gelre en Zutphen(ca. 1117–1182)⚭ ca. 1135Agnes van Arnstein(?–vóór 1179)Otto I van Beieren(?–1183)⚭ ca. 1157Agnes van Loon(?–1191)Berthold I van Katzenelnbogen(?–1170)⚭Adelheid van Laufen(?–?)?(?–?)⚭?(?–?)?(?–?)⚭?(?–?)?(?–?)⚭?(?–?)OvergrootoudersWalram I van Nassau(ca. 1146–1198)⚭Kunigunde(?–1198)Otto I van Gelre en Zutphen(?–1207)⚭ ca. 1185Richardis van Beieren(?–1231)Diederik I van Katzenelnbogen(?–1214/19)⚭?(?–?)?(?–?)⚭?(?–?)GrootoudersHendrik II ‘de Rijke’ van Nassau(ca. 1180–1247/50)⚭ vóór 1215Machteld van Gelre en Zutphen(?–na 1247)Diederik II van Katzenelnbogen(?–1245)⚭ vóór 1219Hildegunde(?–?)OudersWalram II van Nassau(ca. 1220–1276)⚭ vóór 1250Adelheid van Katzenelnbogen(?–1288)

Huwelijk en (schoon)familie miniatuur|Wandschildering in Klooster Klarenthal met Adolf van Nassau, zijn vrouw Imagina, en hun kinderen. Tekening van Heinrich Dors uit het Epitaphienbuch (1632) Adolf huwde ca. 1271 met Imagina van Isenburg-Limburg († 29 augustus na 1317), dochter van Gerlach I van Isenburg, heer van Limburg an der Lahn en Imagina van Blieskastel. Imagina's zuster Agnes was gehuwd met Hendrik van Westerburg, een broer van Siegfried van Westerburg, de aartsbisschop en keurvorst van Keulen. Adolfs broer Diether trad in 1295 in dienst van paus Bonifatius VIII en werd na Adolfs dood aartsbisschop en keurvorst van Trier.

Kinderen Uit zijn huwelijk werden de volgende kinderen geboren:Schwennicke (1978).De genealogieën geven verschillende volgordes waarin de kinderen geboren werden. Op de website Deutsche Inschriften Online wordt nog een zoon Adolf (geboren 1288, jong overleden) genoemd. Deze zoon wordt in geen enkele andere genealogie vermeld. Gearchiveerd op 22 november 2021. Hendrik (jong overleden). Mechtild (vóór 1280 – Heidelberg, 19 juni 1323), huwde te Neurenberg op 1 september 1294 met Rudolf I ‘de Stamelaar’ (Bazel (?), 4 oktober 1274 – in Engeland (?), 12 augustus 1319), paltsgraaf bij de Rijn en hertog van Opper-Beieren. Rupert V (1280 – 2 december 1304), volgde zijn vader op als graaf van Nassau, regeerde samen met zijn broer Gerlach. Adelheid († 7 juni 1338), was non in het Sint-Claraklooster te Mainz en na 1311 abdis van Klooster Klarenthal bij Wiesbaden. Imagina (jong overleden). Gerlach I (vóór 1288 – 7 januari 1361), volgde zijn vader op als graaf van Nassau, regeerde samen met zijn broers Rupert en Walram. Adolf (1292–1294). Walram III (1294 – na 22 december 1324), regeerde 1312–1316 samen met zijn broer Gerlach.

Graaf van Nassau miniatuur|De Burcht Sonnenberg miniatuur|De Burcht Idstein Adolf was in 1273 opperschenker van de aartsbisschop van Keulen.Lück (1981), p. 18. In 1276 volgde hij zijn vader op als graaf van Nassau. Rond 1280 was hij verwikkeld in de Nassause-Eppsteinse Vete, waarin de heren van Eppstein de stad Wiesbaden en de Burcht Sonnenberg verwoestten. Na drie jaar kwam er in 1283 een schikking tot stand. Wiesbaden en de Burcht Sonnenberg werden weer opgebouwd. De Burcht Sonnenberg werd naast Idstein de residentie van Adolf. Voor Idstein verkreeg Adolf in 1287 stadsrechten en nadien bouwde hij er vestingwerken.

Door bemiddeling van zijn oom Everhard I van Katzenelnbogen kwam Adolf naar het hof van rooms-koning Rudolf I, in wiens omgeving zijn aanwezigheid meerdere keren bevestigd is. Rudolf beleende Adolf in 1286 met het ambt van burchthoofdman op de Burcht Kalsmunt in Wetzlar. Een jaar later werd Adolf beleend met het ambt van burchthoofdman op de Burcht Gutenfels bij Kaub; daardoor werd hij ook leenman van de paltsgraven aan de Rijn. Hij commandeerde in 1288 het leger van de aartsbisschop van Keulen in de Slag bij Woeringen.

Adolf was bijna veertig toen hij tot koning van Duitsland werd gekozen. Zijn politieke activiteiten waren tot dan toe beperkt gebleven tot zijn rol als bondgenoot van de aartsbisschop van Keulen. Adolf had geen eigen kanselarij, maar kende vanwege zijn relaties met de aartsbisschoppen van Keulen en Mainz wel de politieke verhoudingen in het gebied van de Midden-Rijn en Main. Hij sprak naast Duits, ook Frans en Latijn, wat toen nog zeldzaam was onder Duitse edelen.

Na de verkiezing tot rooms-koning was Adolf nog slechts zelden in zijn stamland. De regering daar had hij aan zijn burchtmannen overgedragen. Tot de belangrijkste gebeurtenissen in het graafschap Nassau behoorde op 17 januari 1294 de aankoop van de heerlijkheid Weilburg voor 400 pond heller van het bisdom Worms. De plaats Weilburg verleende hij op 29 december 1295 stadsrechten. Verder stichtte hij op 29 september 1296 Klooster Klarenthal bij Wiesbaden.

Verkiezing tot koning van Duitsland miniatuur|Rooms-koning Adolf, olieverf, kopie naar Arnold Montanus, 1662, in bezit van Groothertog Jean van Luxemburg

Vorstenalliantie ten gunste van Adolf De voorganger van Adolf, rooms-koning Rudolf I van Habsburg, had vele jaren voor zijn dood geprobeerd de verkiezing van zijn oudste zoon Albrecht als zijn opvolger als heerser van het Heilige Roomse Rijk veilig te stellen. Hij werd echter gedwarsboomd door het verzet van de aartsbisschop van Keulen, Siegfried van Westerburg, en koning Wenceslaus II van Bohemen. Alleen paltsgraaf Lodewijk II ‘de Strenge’ beloofde hem voor Albrecht te zullen kiezen. Wenceslaus weigerde Albrecht te steunen omdat hij Karinthië niet aan hem wou afstaan. Hij koos de kant van de edelen in de kerngebieden van de Habsburgers in Zwaben en in hun nieuw verworven gebieden in Oostenrijk, waar Albrecht niet populair was. Wenceslaus werd gesteund door hertog Otto III van Neder-Beieren, wiens familie traditionele vijanden van de Habsburgers waren.Herde (2008), p. 515-516. Wenceslaus slaagde erin de keurvorsten van Brandenburg en Saksen aan zijn zijde te krijgen: hertog Albrecht II van Saksen beloofde op 29 november 1291 in een verkiezingsovereenkomst dat hij hetzelfde zou stemmen als Wenceslaus; markgraaf Otto IV van Brandenburg deed een soortgelijke toezegging.

De wrok tegen Albrecht ging, volgens een bron uit de 14e eeuw, zo ver, dat aartsbisschop Siegfried van Keulen de afwijzing van het principe van erfopvolging aan de orde stelde, door te beargumenteren dat het onjuist was als de zoon de troon van zijn vader erfde, maar dat de koning vrij moest worden gekozen door het keurvorstencollege. Hij overtuigde Gerhard II van Eppstein, de aartsbisschop van Mainz, dat een toekomstige koning hoofdzakelijk hun belangen zou moeten dienen. Gerhard op zijn beurt rekruteerde Bohemund I van Warsberg, de aartsbisschop van Trier. Paltsgraaf Lodewijk II ‘de Strenge’ boog vervolgens voor de meerderheid van het keurvorstencollege.

Verkiezingsbeloften van Adolf Daarop heeft aartsbisschop Siegfried van Keulen het keurvorstencollege Adolf van Nassau als koning voorgesteld. Deze verklaarde bereid te zijn om, in het geval hij gekozen zou worden, omvangrijke concessies aan de keurvorsten te doen en hun politieke eisen te volgen.

Een paar dagen voor de verkiezing, op 27 april 1292, beloofde Adolf in de Overeenkomst van Andernach aan Siegfried van Keulen, in het geval hij gekozen zou worden, een lange lijst van eigendomsbevestigingen (met inbegrip van de rijkssteden Dortmund en Duisburg, en de voogdij over het Sticht Essen), verpandingen van rijkssteden en rijksburchten en een bedrag van 25.000 mark in zilver. Bovendien beloofde Adolf de hulp tegen specifiek vermelde tegenstanders, maar ook algemene bijstand; bovendien zou hij geen vijand van Siegfried opnemen in zijn raad. Na de verkiezing moest Adolf Siegfried voldoende zekerheid voor de nakoming van de beloften geven, anders zou hij zijn troon kwijtraken. De laatste clausule bewijst dat aan het einde van de dertiende eeuw de kroning van de koning nog steeds erg belangrijk was als een constituerend moment van de heerschappij, want Siegfried beloofde pas om Adolfs kandidatuur voor te dragen nadat hij die beloofde zekerheden had verkregen.

De andere keurvorsten lieten zich door Adolf soortgelijke concessies doen, maar pas na de verkiezingen. De meest vergaande waren de concessies aan de Boheemse koning Wenceslaus II van 30 juni 1292. Adolf beloofde Wenceslaus, de Habsburger Albrecht, de twee hertogdommen Oostenrijk en Stiermarken weer te ontnemen. Dit zou op dezelfde manier moeten gebeuren als de vorige koning Rudolf van de Boheemse koning Ottokar II, de vader van Wenceslaus, rijksgebieden had afgenomen. Albrecht moest eerst voor een proces worden opgeroepen. Als hij niet zou buigen, moesten de beslissingen van de rechtbank binnen een jaar met geweld worden uitgevoerd. Wenceslaus zou daarna de voormalige territoria van zijn vader terugkrijgen. Als onderdeel van de verkiezingsbeloften van Adolf en ter bevestiging van zijn alliantie met Wenceslaus werd een huwelijksovereenkomst gesloten tussen Adolfs zoon Rupert met Wenceslaus's nog in de kinderleeftijd zijnde dochter Agnes.Hoensch (1997), p. 107.RI VI,2 n. 10 in: Regesta Imperii Online. Gearchiveerd op 11 december 2021. De nog jonge Agnes werd in 1296 overgedragen aan Rupert, maar stierf kort daarna.RI VI,2 n. 704 in: Regesta Imperii Online. Gearchiveerd op 11 december 2021.

Aan aartsbisschop Gerhard II van Mainz werden de rijkssteden Mühlhausen en Nordhausen overgedragen, wat overeenkwam met de belangen van de Mainz in de regio Thüringen. Bovendien ontving Gerhard financiële voordelen. Net als zijn collega in Keulen eiste ook Gerhard dat er voor hem onaanvaardbare personen zouden worden opgenomen in Adolfs raad.

In vergelijking met de voordelen van de keurvorsten van Mainz, Keulen en Bohemen, waren de schenkingen aan paltsgraaf Lodewijk II ‘de Strenge’ en aartsbisschop Bohemund I van Trier bescheidener.

Op 5 mei 1292 kwam het in Frankfurt tot Adolfs verkiezingHerde (2008), p. 516. en op 24 juni in Aken tot de kroning. Zijn macht was echter vanaf het begin beperkt vanwege de gemaakte toezeggingen.

Heerschappij als koning miniatuur|left|Zegel van rooms-koning Adolf bij de verlening van stadsrechten aan Kayersberg in 1293. Historisch Museum Kaysersberg miniatuur|left|Rooms-koning Adolf en zijn vrouw Imagina, geschilderd op glas in Klooster Altenberg, kopie ca. 1805. Grafelijke Rentekamer, Erbach

Verbreking van verkiezingsbeloften Zoals afgesproken met aartsbisschop Siegfried van Keulen, bleef Adolf na zijn verkiezing vier maanden in diens domein. Siegfried verwachtte dat de koning de resultaten van de Slag bij Woeringen uit 1288 zou herzien. Hij hoopte meer invloed in de stad Keulen te verkrijgen. Ondanks de krappe beperkingen bevrijdde Adolf zich snel van de keurvorsten en sloot hij allianties met hun tegenstanders. Hij bevestigde bijvoorbeeld de rechten van edelen en de stad Keulen, die zich tegen hun landsheer gekeerd hadden, en breidde deze rechten zelfs uit.